Charles Groenhuijsen
Charles Groenhuijsen over polderklei, propaganda en positivisme
door Maarten Kolsloot
GRONINGEN- “Ik ben stinkend nieuwsgierig maar ik heb geen ideologische vergezichten over hoe het verder moet met de wereld en hoe ik daar een bijdrage aan wil leveren. Daar heb ik gelukkkig nooit last van gehad. Journalisten dienen te informeren, niet revoluties te ontketenen of daar pogingen toe te doen. Ik ben in zoverre een beetje dwars aangelegd, dat als heel veel mensen een bepaalde mening hebben ik me afvraag of dat wel zo is. Ik heb de journalistiek altijd een ontzettend leuk vak gevonden en heb het met veel plezier gedaan. Je wordt er niet rijk van, maar het is hartstikke leuk. Het is leuk om informatie te geven en in een vorm te gieten waar zoveel mogelijk mensen wat aan hebben.
Sommige journalisten verwijten mij dat ik te veel achter Bush heb aangelopen. Ik vind juist dat ze zelf het omgekeerde doen. Dat ze vaak niet twee stappen terug willen doen en denken: ‘waar kijken we nu eigenlijk naar, wat zien we nu eigenlijk.’ Journalisten zijn ontzettend geneigd om ervan uit te gaan dat het glas half leeg is in plaats van dat het half vol is. Ik vind dat je echt op een andere manier naar dingen kunt kijken, op een manier die mensen meer hoop en energie geeft. Als ik al idealist ben, dan is het om mensen aan het denken te zetten. Als mensen zeggen: ‘Wat leuk, dat wat je zegt geeft een nieuwe kijk op de dingen waar we mee bezig zijn’, dan is deze meneer helemaal tevreden.
Als je verder kijkt kom je er bijvoorbeeld achter dat Amerikanen niet gek zijn. Een Amerikaan kan waar ook ter wereld uit het vliegtuig stappen en vragen waar de dichtstbijzijnde McDonalds is. In 95 van de honderd gevallen zullen mensen zeggen: ‘hier om de hoek.’ Grootheid is in mijn ogen absoluut geen uitganspunt bij het beoordelen van fatsoen. Maar als je zo groot en machtig bent als de Verenigde Staten, en je ziet jouw normen en waarden overal in de wereld terug, dan kun je al gauw de indruk krijgen dat er helemaal niets mis mee kan zijn. Het kapitalisme heeft gewonnen, dat is glashelder. Zelfs het communistische China is nu voor een heel groot deel kapitalistisch. Dus als je altijd hebt gepleit voor een vrije kapitalistische economie, en de wereld ligt wat dat betreft aan je voeten, waarom zouden de Amerikanen dan aan zichzelf twijfelen?
Je bent journalist om het effect van propaganda een beetje in de klauwen te houden. Het is in zoverre een gevaar dat je erin trapt als je niet oplet. Propaganda werkt beide kanten op. De meest geraffineerde propaganda is het creëren van een wereldbeeld dat naar mijn idee niet klopt. Mensen die alleen maar schrijven over de ozonlaag, over oorlogen en armoede zijn volgens mij meer manipulatief bezig dan ik.
Maar propaganda is vaak ook nieuws. Het is een ‘fact of life’: het gebeurt iedere dag weer. Als Bush morgen zou zeggen dat in Irak het paradijs is losgebarsten, dan weet ik dat het propaganda is en niet waar, maar als de Amerikaanse president die mening geeft, is dat ook nieuws. Vervolgens geef je ook de mensen weer die zeggen: ‘Nou meneer de president, dat is een beetje onzin wat u daar zegt.’ De propaganda is in de dertig jaar dat ik in de journalistiek zit wel geraffineerder geworden door de opkomst van internet.
Als je wilt kun je alle documenten die het Witte Huis over Irak publiceert op internet nalezen. Dan kun je zelf je oordeel vormen. Maar je kunt ook naar een of andere malle chatroom gaan waar mensen zeggen dat 9/11 nooit is gebeurd. Aan de ene kant heeft natuurlijk de regering Bush zijn propagandamethoden, maar alle bloggers hebben die ook. Op al die blogs en discussiegroepen zie je mensen massaal in grote kringen achter elkaar aanrennen, terwijl er geen spoor van waarheid zit in waar ze achteraan rennen. Het is wel vervelend dat daardoor onzinnige berichten en geruchten soms heel lang in de wereld kunnen blijven. Als het de bloggers van de straat houdt, en ze geen vrouwtjes op het zebrapad beroven, maar onzin beweren op internet, doe dan dat laatste maar.
Over het geheel gezien vind ik niet dat de journalistiek er slechter op is geworden. We moeten niet idealiseren hoe het dertig jaar geleden ging. Realiseer je dat de hoeveelheid informatie die voor ons als journalist en voor jou als consument beschikbaar is, waanzinnig is toegenomen. Vroeger bij een persconferentie moest je er maar van uit gaan dat het een beetje correct op de wire-server stond, nu kun je het opvragen en letterlijk nalezen.
Er is bij de NOS nooit een politiek van censuur geweest waarin werd gezegd: dat mag je niet zeggen, want dat is politiek incorrect. De signalen waren er af en toe wel vanuit de redactie, maar dat vind ik niet zo ongezond en niet zo’n probleem. Ik was bij de NOS volkomen vrij, al vonden sommigen me een rechtse bal. Het was ook wel een erg overwegend linkse club en daar hoor ik niet bij. Hoewel, ik heb alleen maar op linkse partijen gestemd, maar dat willen mensen niet horen en dat geloven ze niet, toch is het waar. Dat is nu eenmaal het etiket dat je opgeplakt krijgt. En ach, ik heb een brede rug en een groot voorhoofd en daar passen allerlei etiketten op; ik heb daar niet zo’n last van.
Er is veel meer dan de goegemeente vaak wil zien, en ik ga daar naar op zoek, bijvoorbeeld in mijn boek Leve Nederland. Er wordt in Nederland zo ontzettend veel gemopperd in de grom- en bromcultuur. Er zijn zo ontzettend veel mensen die het echt verdienen een betere beschrijving van Nederland te krijgen dan de beschrijving die we aan de borreltafel van Nederland ten beste geven. We hebben in Nederland vier miljoen vrijwilligers, we hebben het meest actieve verenigingsleven van het westelijk halfrond, we hebben een record aantal allochtone ondernemers. Ik vind dat een volledig onderschat aspect van Nederland.
Dat mag wel eens verteld worden, zonder dat je daar een hiep hiep hoera verhaal van maakt en net doet alsof er geen problemen met Marokkanen zijn, en er geen armoede is in Nederland. Dat is allemaal zo, maar ik ben niet gek. Ik heb geen Hollandse polderklei in mijn ogen! Ik kijk ook om me heen. Die kluiten polderklei in andermans ogen verhinderen wel eens dat mensen een heldere blik op deze samenleving houden.
Iedereen heeft altijd het idee dat alles achteruit gaat. Dat is kletskoek, het is gewoon niet waar. Neem nu bijvoorbeeld de globalisering. Ik heb wel eens gekscherend geroepen: ‘Na de komst van Jezus Christus is dat de grootste zegening die over de mensheid is gekomen.’ Er zijn zo ontzettend veel mensen die zo verschrikkelijk profiteren van globalisering. Dat heeft ook nadelen: denk aan het milieu en denk aan de inkomensverschillen tussen arm en rijk. Als je stomweg naar de cijfers van de VN kijkt over armoede, het aantal mensen dat honger lijdt in de derde wereld en het aantal gewapende conflicten: dat loopt al jaren gestaag terug.
Nederlanders hebben ontzettend de neiging om eenzijdig de nadruk op de zwakkeren in de samenleving te leggen, dat is onze sociale traditie, en daar ben ik geen voorstander van.
We hebben bijvoorbeeld de neiging om te denken dat studenten allemaal lui zijn, dat klopt bijna helemaal. De meesten zijn ontzettend lui en doen ontzettend weinig. Maar er is een vrij fikse groep die wel zijn of haar stinkende best probeert te doen, en er echt wat van probeert te maken.
Mijn grootste intellectuele uitdaging voor de komende jaren? De grootste intellectuele uitdaging is dat ik dat dus lekker niet weet. Ik weet het echt niet. Als vader van een gezin met drie kinderen geeft dit wel onzekerheden en moet ik een beetje opletten. Het kwijt zijn van de voortdurende bureaucratische druk – vergaderingen, roosters - waarin mensen zich met je bemoeien maakt mijn hoofd vrijer, creatiever en losser.
Als ik het acht uur journaal was gaan presenteren, dan had ik precies geweten dat ik op 23 oktober 2012, om vijf voor acht in de studio zou zijn gaan zitten, met een gepoederde neus, om te zeggen: ‘Goede avond dames en heren, dit is het acht uur journaal.’ Als ik moet kiezen tussen een rood lampje in studio negen of een zaal vol met mensen die aandachtig naar me luisteren en vervolgens leuke vragen stellen; doe mij die zaal dan maar. Dat rode lampje zegt nooit wat terug. Achter dat rode lampje zitten anderhalf miljoen mensen en als je daar op kickt – en denkt wat word ik toch ontzettend beroemd - dan kun je daar heel gelukkig van worden. Ik heb in ieder geval geen last van het misverstand: ‘omdat ik beroemd ben, ben ik ook een uitmuntend persoon.’ ”