In de bus

Op de racefiets, tussen Yde en Vries. Van huis gegaan met een reserveband, als een opgevouwen ballon bungelend in mijn achterzak, maar zonder bandenlichters en pomp: onnodige ballast. Even buiten Vries een luid gesis, binnen vijf tellen ratelt mijn velg over de straat. Lek. Ik kijk om me heen. Aan de overkant een verlaten fietspad, enkele honderde meters voor me een rotonde. Dan maar lopend verder. Nog geen minuut later komt een fietser in het zicht. Rug horizontaal voorover, blitste Oakley bril op de neus. Haastig steek ik de straat over en roep de man. Hij wil wel helpen. Vette zwarte vingers wurmen de band op z’n plaats. Gert-Jan is op weg naar zijn vriendin in Tubbergen, nog honderd kilometer te gaan. Hij stuurt mijn onhandige vingers bij waar nodig, iets verder de band omhoog, ja, iets meer lucht, iets omhoog – en klaar ben ik.

Dankjewel, wat een aardige kerel.
Tweehonderd meter verder. Ik sta op de trappers – 31,32,33 km per uur- zo ben ik vlot thuis. Meer weerstand volgt. 34-35, nog meer weerstand.
Opnieuw lek.
Vloeken mag.
Dit keer loopt de band zachtjes leeg. Ik trap nog wat harder door, iedere meter dichterbij huis is nu meegenomen. Op de lange door jonge bomen omzoomde weg naar Paterswolde kom ik tot stilstand. Uit een onverharde zijweg komt een man gefietst. In zijn mond een stompje sigaar, aan zijn voeten grote gele klompen met kale neuzen. Hij groet kort en fietst door.

Op naar Groningen, twintig kilometer strompelen op onhandige fietsschoenen. Nog voor ik de overweging kan maken – schoenen uit, twintig kilometer op sokken verder – hoor ik achtermij remmen luid piepen. Een man met borstelsnor, vriendelijke blauwe ogen en een Drents accent stopt naast me. Lek? Ja Lek. Of ik even wil bellen. Ja dat wil ik wel. Maar naar wie dan? Een student met een auto, vind ze maar eens. Via Tjeerd probeer ik Renske te bereiken. Haar blitse cabrio staat in de verkoop en komt nu van pas (en die vraagprijs was toch te hoog). Tjeerd antwoord enthousiast, hij moet hard lachen. Ik iets minder hard als hij zegt waar hij nu is: Leiden.

De man grist de telefoon uit mijn hand – aardige Drent, maar huiverig voor langdradige bellers. Hoe ik thuis wil komen? Ik staar de kilometers akkerland in die voor me liggen. Ik weet even niet beter. ‘Das een best eind’, antwoord de man bezorgd. Ik zwijg veelzeggend maar voel me niet geroepen om meer van hem te vragen. Plots rijkt hij naar z’n achterzak. ‘Ik heb wel een euro voor je’. Een euro. Straatkrant, kerstarmoede, fietsellende. Een euro kun je overal voor gebruiken. Ik aarzel. Een euro aannnemen, is dat wel netjes als je zelf geen voorzorgsmaatregelen hebt genomen?

Twee keer lek, dat is wel heel erg. Stotterend neem ik de euro in ontvangst. Zou dat genoeg zijn voor de bus, een euro?

Of m’n fiets wel mee kan. Ja, maar wel achterin met het spul. Snel floep ik erachteraan: ik heb maar een euro hoor. “Das ja niet genoeg, dat kost drie euro”. ‘Die heb ik niet’. Hij kijkt de situatia aan. Nou vooruit dan, je vraagt wel veel hè. Ik zwijg. Waar moet je heen dan? Vraagt de chauffeur met hoorbare tegenzin. Naar de stad, antwoord ik als ingeburgerd student. ‘Welke stad dan’, volgt snedig. Ik aarzel, er is hier toch maar een stad? ‘Groningen’. ‘Achterin met het spul.’ De chauffeur is het nu echt zat. Ik wandel naar de achterkant van de bus als hij vol gas geeft. Even schiet ik naar voren. Een boze blik laat ik achterwege. Een gegeven paard kijk je immers niet in de bek.

Leave a Reply