Van deur tot deur in spierwit Des Moines

De straten in west Des Moines zijn spierwit. Lange bruine sporen herinneren aan de honderden auto’s die moeizaam door de sneeuw ploegden. Het ijzelt en aan de autoruiten kleeft een dikke laag ijs. Als je erop in hakt is het alsof je de ruit kapotslaat. De auto start met een luid geronk.

“It is like a fucking second ice age”, zegt Jay. Jay managede de eerste congrescampagne van Dodd in 1978. Toen waren 150.000 usd nog genoeg om een landelijke race te volbrengen, nu is dat zelfs op staatsniveau niet meer genoeg. Met zijn verweerde gezicht en handig getimede krachttermen lijkt Jay op het eerste gezicht a-politiek, maar dat is hij zeker niet. Met humor (“This boy genius thought it was smart not to bring a hat in the blistering cold .”) en een vlotte babbel overtuigt hij kiezers. Want dat doen we vandaag. Tijdens het ‘canvassing’ gaan we van deur tot deur: bellen indrukken, folders uitdelen en kiezers overtuigen.

De tweede ijstijd is werkelijk begonnen. De stoepen van de ruime woningen aan 43rd en 44th Street zijn wit bevroren en spiegelglad. In 43rd street doet een oudere man open. Hij draagt een beige-rood geruit overhemd en heeft zijn haar in een brede golf over zijn kalende hoofd gekamd. De man luistert met een zacht gelaat. Daarna begint hij langzaam te praten: een Democratische president is niets voor hem want die zijn toch allemaal voor, “you know – this gay thing? And you know, it is totally unnatural and I’m against it. The Republicans, they take care of this. But thanks for your information. ” “Oh my wife, she is over there.” In de keuken, maar daar moet je geen aanstoot aan nemen, dat is gewoon toeval. Een opgeruimde zestiger schuifelt naar voren. Dodd, daar had ze wel van gehoord, hij heeft goede beleidspunten, maar ze schommelt heen en weer tussen de Democraten en de Republikeinen, voor dit jaar is ze er nog niet uit. Deze kiezer moet naar ons kamp. Ik geef haar een folder en de verzekering dat de Senator ook voor haar opkomt. Opa haarlok komt uit de keuken met een kaartje “The gift of god is eternal, death, the wages of sin.” Romans 6:32. Hij lacht er heel vriendelijk bij. Op de spiegelgladde stoep ben ik nog niet helemaal van het contrast bekomen.

Aan 43rd street doet een man met littekens in zijn gezicht open. Hij draagt een blauwe joggingbroek met gaten en een hemd dat precies tot aan zijn huiduitslag openhangt. “Democrats, huh”, bromt de man en hij kijkt me geringschattend aan. “Democrats, well I definitely vote Democrats, but I don’t know which candidate I am going to vote for.” Hij blijft in de deuropening staan, ik vries aan de deurmat vast. Zijn tanden zijn kleine stompjes, ongeveer half zo groot als volwassen tanden. Z’n lange haar hangt over z’n schouders, een puntige neus steekt uit. “Well, I want to let you in, but you know, I have got some stuff going on.” Ik reageer volledig neutraal en merk enkele ogenblikken later dat ik toch wel nieuwsgierig ben. Na een paar steenkoude minuten laat hij me binnen en stuit ik op een ruime verzamelingen naalden en lepels met allemaal borrelende witte vloeistoffen. Het zijn medicijnen, naar verluidt. Als ik in de auto terugkom lacht Jay mij vierkant uit: ” That stuff sounds way over the counter man, or under the counter as you should say.” En: “Màrten, you’ve used two of your three strikes man, you’d better be careful…”

Ik heb de man – patiënt of wat dan ook – nog uitgenodigd voor een bijeenkomst met de senator op maandag. Mijn collega’s denken nu echt dat ik m’n verstand verlies.

No Comments

Geef een reactie

Your email is never shared.Required fields are marked *