Lijn 26
De lucht trilt. Mannenzweet gutst over de zitjes van lijn 26. Mijn overbuurman met de kromme neus en de grof geschoren schedel trekt een bovenraampje open.
Aan de overkant van het gangpad kijkt een vrouw - sproeten, kuitbroek, donkere pony, een hand aan de klamme slaap - begerig omhoog. Haar raampje zit nog dicht. Één-meter-zeventig. Ze lijkt de cijfers te spellen. Het is net niet genoeg. Zelfs niet met zulke fijne lange armen. Ze staart naar haar nagels. Lang, maar niet lang genoeg.
De man met de kromme neus handelt snel: “Dat doet mijn vriend aan de overkant wel voor u.” Tja. De vrouw kijkt hoopvol, nu moet ik wel. Het raampje klemt, maar dat is geen probleem. “Moet je gewoon ff hard doordrukken”, snerpt de buurman. Met een plof vallen de scharnieren naar beneden. “Kijk, het tocht meteen lekker door.” Hij kijkt blij naar boven. Koude lucht schuift naar binnen.
“Ja, ik kom net uit de trein. Dat is vreselijk. Geen airco man. Geen airco. Tjonge, dat geloof je toch niet. Hier tocht het tenminste lekker door. Fijn hoor. Je moet er nu toch niet aan denken dat je nu in de auto zit?”
Met een aan de stoffen zitjes vastgekleefd t-shirt klinkt dat opeens niet gek; een auto mét airco.
Wrede illusie.
“Ik zit nooit meer in de auto. Ben je helemaal besodemieterd? Dat doe je toch niet? Ja, vroeger ging ik wel naar Frankrijk met de auto. Maar als je dat nu nog doet, dan ben je toch gek? Met de TGV ben je er voor een drol en drie stuivers. Als je met de auto gaat ben je echt gek. Gééék. Ja, vorige zomer, toen ging ik nog een keer. Die péage man. Ongelooflijk. Daar rij je dan, ingeklemd tussen die twee buizen. Net keutels in een pot. Gebeurt er een ongeluk, ga je de vluchtstrook op. Die er niet is. Kun je tien kilometer verderop zo’n parkeerterrreintje op, weetjewel, maar dan heeft het geen zin meer. Mij zien ze er niet meer. De péage.”
Z’n lip krult omhoog. Van ellende. Ver weg, in zijn gedachten even heel dichtbij.
“Frankrijk. Gek land is het eigenlijk.”
Drie Japanse toeristen snellen voor de tram langs.
Net op tijd weg.
“Ja, die Fransen, gek volk is het. Vroeger was dat nog erger. Denk je dat die Noordelingen ook maar iets met het zuiden te maken wilden hebben? Nee joh! Toen stond dat Île de France nog echt apart hoor.”
Even.
Een hapering.
Parelend zweet boven dunne donkerblonde wenkbrauwen.
“Nu is Frankrijk, Frankrijk niet meer. Die snelwegen hebben het land vermoord. Hotellerietjes had je overal, maar nu niet meer. Dat merk je hoor. Ga je binnendoor dan zie je alleen nog hopen baksteen met mos in alle hoeken en gaten. Zo zonde. Nu heb je alleen nog die plastic blokkendozen langs de afritten.”
“Rietlandpark, halte Rietlandpark.”
Einde anecdote.
Zonde.